
Een plein in Cornellà, één van de vele voorstadjes van Barcelona. Nou ja, stadjes: l’Hospitalet heeft meer dan 200.000 inwoners, net zoveel als Utrecht, en Badalona zit boven de 150.000. En in l’Hospitalet, en Badalona, en Cornellà, en veel van die andere steden en wijken vol Andalusische immigranten, in de jaren zestig naar de grote stad in het noorden getrokken, kom je ze tegen: de mannen, meestal gepensioneerd, met hun vogelkooien. Bedekt tijdens de wandeling van en naar huis, opdat de beestjes niet schrikken van het verkeersgeweld onderweg, en zichtbaar voor het publiek tijdens de urenlange zit ergens op een plein in de stad. In l’Hospitalet is er een plein dat zelfs zo heet, de Plaza de los Pajaritos, van de vogeltjes die er elke dag in hun kooien staan tentoongesteld.
Meestal zijn het kanaries, in alle kleuren, en af en toe jilgueros, wat volgens het woordenboek een puttertje of distelvink is. Zingt mooier, langer en beter dan de kanariepiet. De mannen scheppen er genoegen uit, zo’n halve ochtend of middag op straat zitten en hun vogeltjes uitlaten. Kan me herinneren dat m’n oma er vroeger één had, in de kooi thuis in het Utrechtse Tuinwijk. Zal wel Pietje geheten hebben. Of Kees, naar één van haar zonen, want als die het huis uit zijn kun je nog altijd hun naam dagelijks roepen, tegen een kanarie. Maar die zat dus altijd binnen, op dezelfde plaats. Weet niet waar de gewoonte vandaan komt, maar deze mannen laten hun vogeltjes, elke dag weer, een klein beetje van de wereld zien. Hun wereld.
UPdate: kanarie veroorzaakt verkeersongeluk. Tja, ook toeval.

Je hebt in de Barceloneta enkele van die nog ongelooflijk oorspronkelijke zaakjes waar de mensen uit de wijk zich vermengen met de toeristen, maar verder alles bij het oude is gebleven. Jai-Ca (carrer Ginebra) zit dicht in de buurt van El Vaso de Oro, één lange bar en daarvoor een héél krappe ruimte. Vervolgens sla je de straat Baluard in, waar je eerst op nummer 12 het vrij onbekende Can Maño tegenkomt; spotgoedkoop eten, het meest copieuze diner kost er nog geen 20 euro.
Althans, ik hoop dat-ie nog bestaat, ben er een tijd niet geweest. En loop je door dezelfde straat nog iets verder, net de markt voorbij, dan kom je bij één zonder naam. Hij moet ook een beetje geheim blijven, dus we houden ‘m onder ons; het is de meest charmante eettent van de Barceloneta, La Cova Fumada, het ‘rookhol’. Vroeg open en ook vroeg dicht, trouwens. Vol is vol en na een uur of drie ‘s middags kom je er niet binnen. ‘s Avonds gaat-ie niet eens open, dan vindt de familie Solé het wel weer genoeg geweest. Hard gewerkt, die ochtend en middag, in de rook en hitte van de open keuken en het lawaai van de gasten.







Het begon allemaal in 1945, toen tijdens de dorpsfeesten enkele groepjes elkaar spontaan met tomaten en andere zaken begonnen te bekogelen. Ze hadden ruzie gekregen en grepen naar al het fruit uit een fruitstalletje dat even verderop stond. Het jaar erop wilden ze de ‘oorlog’ herhalen en namen de jongeren de tomaten zelf van huis mee. Zo ging dat jaren door, af en toe waren er protesten van de bewoners, maar in 1956 werd de tomatenoorlog officieel onderdeel van de dorpsfeesten en sinds 1970 is het de gemeente die voor de rode munitie zorgt.
´
Toen kwam er bijna niemand, was San José nog een idyllisch plaatsje aan de kust. Ook nu is Cabo de Gata nog redelijk onherbergzaam en maagdelijk, zonder al te veel voorzieningen, maar in augustus is het er te druk, zoals overal. Het voorjaar of september is ideaal om de droogste streek van Spanje te bezoeken, met zijn ongelooflijke strandjes (Playa de los Muertos, Mónsul, Genoveses), met de restaurantjes in Aguamarga op het strand, met deze (op de foto) verlaten goudmijnen in Rodalquilar, waar een mooi 

Je wordt er heel wat vrolijker van dan bij het zien van de baarsen uit de viskwekerijen: die zijn allemaal net groot genoeg voor één persoon. Op zich zijn de kwekerijen – die grote ronde netten die je op verschillende plaatsen dichtbij de kust kunt zien liggen – niet slecht. Ze helpen de overbevissing van bepaalde vissoorten in het wild te bestrijden.

Moest aan Mohammed denken nu gisteren weer de maand van de ramadan is begonnen. Een extra zware maand. De ramadan loopt niet gelijk met onze jaarkalender en elk jaar schuift de vastenmaand zo’n vier weken naar voren. Dat maakt deze ramadan extra moeilijk voor de moslims (en die van volgend jaar nog veel zwaarder): de zon is vroeg op en weer laat onder. Op de klok in een slagerij in de Raval (dé moslimwijk) in Barcelona (hierboven) staat bij Faj (al-Fajr, de dageraad) hoe laat het vasten begint en bij Mag (al-Maghreb, de zonsondergang) wanneer er weer gegeten mag worden. Zestieneeneenhalf uur zonder eten en drinken, en dat bij een temperatuur van nog steeds boven de 30 graden en veel Marokkanen en Pakistaniërs die hier in de bouw werken…
Maar dan de Nederlanders: in juli kwamen er 317.817 naar Spanje (geen idee hoe ze dat zo exact berekenen, maar het zal wel bij benadering zijn), en dat waren er 22,5% minder dan in juli vorig jaar. Bijna een kwart minder! Gaan we ineens zó weinig op vakantie? Of zijn we Spanje zat?

Was vandaag op twee van die parkeerplaatsen. Word je niet vrolijk van, ook al omdat het weer eens boven de 35 graden was. En op één van de twee was geen enkele schaduw. De Pont del Diable heet die, de Duivelsbrug, een Romeins aquaduct in de buurt van Tarragona. Inderdaad, een hel, die parkeerplaats. Niemand stopte er. Van de auto’s die er kwamen, dachten de bestuurders dat het de afrit naar Tarragona was; ze reden na het ontdekken van hun vergissing direct door, zagen het historische aquaduct niet eens.