Entries from augustus 2009

Een plein in Cornellà, één van de vele voorstadjes van Barcelona. Nou ja, stadjes: l’Hospitalet heeft meer dan 200.000 inwoners, net zoveel als Utrecht, en Badalona zit boven de 150.000. En in l’Hospitalet, en Badalona, en Cornellà, en veel van die andere steden en wijken vol Andalusische immigranten, in de jaren zestig naar de grote stad in het noorden getrokken, kom je ze tegen: de mannen, meestal gepensioneerd, met hun vogelkooien. Bedekt tijdens de wandeling van en naar huis, opdat de beestjes niet schrikken van het verkeersgeweld onderweg, en zichtbaar voor het publiek tijdens de urenlange zit ergens op een plein in de stad. In l’Hospitalet is er een plein dat zelfs zo heet, de Plaza de los Pajaritos, van de vogeltjes die er elke dag in hun kooien staan tentoongesteld.
Meestal zijn het kanaries, in alle kleuren, en af en toe jilgueros, wat volgens het woordenboek een puttertje of distelvink is. Zingt mooier, langer en beter dan de kanariepiet. De mannen scheppen er genoegen uit, zo’n halve ochtend of middag op straat zitten en hun vogeltjes uitlaten. Kan me herinneren dat m’n oma er vroeger één had, in de kooi thuis in het Utrechtse Tuinwijk. Zal wel Pietje geheten hebben. Of Kees, naar één van haar zonen, want als die het huis uit zijn kun je nog altijd hun naam dagelijks roepen, tegen een kanarie. Maar die zat dus altijd binnen, op dezelfde plaats. Weet niet waar de gewoonte vandaan komt, maar deze mannen laten hun vogeltjes, elke dag weer, een klein beetje van de wereld zien. Hun wereld.
UPdate: kanarie veroorzaakt verkeersongeluk. Tja, ook toeval.
Categorieën: zon, zee en andere zaken
getagged: kanarie, vogels

Moet, om te beginnen, eerlijk zeggen dat de scheermessen, de sterk naar zee geurende navajas, een stuk minder smaakten dan die van Can Flores in Blanes, enkele maanden geleden. En dat het binnen snikheet was en er buiten maar drie, natuurlijk altijd bezette, tafeltjes stonden. (Het is ook de reden dat in de zomer één van mijn favoriete stekjes in en rond de Barceloneta het moderne Sal Café onder aan de boulevard, met terrasje óp het strand, is.) Maar deze week toch maar weer een keer naar de Jai-Ca geweest, die van de foto hierboven. Een klassieker in de visserswijk. Natuurlijk ook al ontdekt door de toeristen, maar het blijft er een leuke, gezellige chaos en de pimientos de Padrón (die kleine groene paprikaatjes waarvan er per bord ongeveer twee je tong in brand zetten) en de chocos (gefrituurde stukjes inktvis) waren voortreffelijk.
Je hebt in de Barceloneta enkele van die nog ongelooflijk oorspronkelijke zaakjes waar de mensen uit de wijk zich vermengen met de toeristen, maar verder alles bij het oude is gebleven. Jai-Ca (carrer Ginebra) zit dicht in de buurt van El Vaso de Oro, één lange bar en daarvoor een héél krappe ruimte. Vervolgens sla je de straat Baluard in, waar je eerst op nummer 12 het vrij onbekende Can Maño tegenkomt; spotgoedkoop eten, het meest copieuze diner kost er nog geen 20 euro.
Althans, ik hoop dat-ie nog bestaat, ben er een tijd niet geweest. En loop je door dezelfde straat nog iets verder, net de markt voorbij, dan kom je bij één zonder naam. Hij moet ook een beetje geheim blijven, dus we houden ‘m onder ons; het is de meest charmante eettent van de Barceloneta, La Cova Fumada, het ‘rookhol’. Vroeg open en ook vroeg dicht, trouwens. Vol is vol en na een uur of drie ’s middags kom je er niet binnen. ’s Avonds gaat-ie niet eens open, dan vindt de familie Solé het wel weer genoeg geweest. Hard gewerkt, die ochtend en middag, in de rook en hitte van de open keuken en het lawaai van de gasten.
Het is in La Cova Fumada dat, zo is de overlevering, oma Maria Pla de bomba uitvond, een met gehakt gevulde en gefrituurde aardappelbol, overgoten met een scherpe saus én alioli. (Dus niet in het restaurant La Bomba in de carrer Maquinista die zich erop voorstaat de uitvinder van de ‘bom’ te zijn.) Let trouwens niet op de prijzen op het bord; die zijn van 2003. Maar goedkoop blijft het ook daar.
Categorieën: eten en drinken · mijn Barcelona
getagged: barceloneta, restaurant

Nonaspe, heet dit gat. Einde van de wereld, zoals er zoveel plaatsen zijn waar de wereld eindigt. Provincie Teruel, die zich promoot met ‘Teruel bestaat!’, omdat er nooit iemand heen gaat. Een half verlaten spoorlijn, ondanks dat dit de vaste route tussen Madrid en Barcelona was, al sinds 1894. Maar daar kwam dus een einde aan, nu al weer anderhalf jaar terug, met de komst van de AVE, die in 2 uur en 38 minuten tussen beide metropolen vliegt, over een ander spoor, natuurlijk.
Hij stopt niet in Nonaspe, een bijna verlaten station waar het leven nooit meer zal terugkeren. Twee, drie keer per dag stopt er nog een oude, trage trein. Zoals in zoveel stations op deze lijn, Madrid-Barcelona. En praat je er met de oudere mensen, dan hebben ze het over vroegere tijden, waarin het spoor bijna de enige verbinding met de bewoonde wereld was, met de grote stad 100 kilometer verderop. Rondom de stations verrezen levendige dorpjes, zoals dat van Claudia Cardinale in Once upon a time in the west. Dat is voorgoed voorbij. Eerst kwamen er de wegen, nu de hogesnelheidstreinen. Het ouderwetse spoor is dood.






Categorieën: intussen, in Spanje · reizen
getagged: barcelona, madrid, spoorwegen, trein

Dankbaar onderwerp voor fotografen natuurlijk, die er ook massaal op afkomen, met het gevaar dat de (dure) apparatuur niet geheel onbeschadigd blijft. Vandaag was het weer la tomatina, het enige evenement waardoor het stadje Buñol, in het binnenland bij Valencia, aan de grote weg naar Madrid, (wereld)beroemd is geworden. Zo’n 40.000 mensen kwamen er vandaag op af, veel buitenlanders ook. Minder gevaarlijk dan het stierenrennen in Pamplona, zullen we maar zeggen. Al wordt iedereen aangeraden in ieder geval een beschermend (zwem)brilletje op te doen, want een tomaat in je ogen doet pijn.
Het begon allemaal in 1945, toen tijdens de dorpsfeesten enkele groepjes elkaar spontaan met tomaten en andere zaken begonnen te bekogelen. Ze hadden ruzie gekregen en grepen naar al het fruit uit een fruitstalletje dat even verderop stond. Het jaar erop wilden ze de ‘oorlog’ herhalen en namen de jongeren de tomaten zelf van huis mee. Zo ging dat jaren door, af en toe waren er protesten van de bewoners, maar in 1956 werd de tomatenoorlog officieel onderdeel van de dorpsfeesten en sinds 1970 is het de gemeente die voor de rode munitie zorgt.
Veel munitie. Gisteren gingen er 110.000 kilo tomaten doorheen, bijna drie kilo per bezoeker, als iedereen heeft meegedaan. Om 11.00 uur komen de vrachtwagens het dorpsplein op en lossen zij de lading. De tomaten worden speciaal voor deze gelegenheid gekweekt en hoewel ze lekker rood zijn, zijn ze niet geschikt voor consumptie. Om de andere niet te veel te bezeren wordt wel gevraagd om de tomaat eerst een beetje kapot te knijpen voor hem te lanceren. Na afloop is het de brandweer die de straten met een stevige straal mag schoonmaken.

Categorieën: intussen, in Spanje · zon, zee en andere zaken
getagged: buñol, tomatina
´
Nog even het onbeschrijflijk mooie Cabo de Gata. Dit is een oude boerderij, de Cortijo del Fraile, ergens verstopt achter de vulkaanachtige bergen, zo’n 15 of 20 kilometer van de kust. Het is er heet en onherbergzaam. Maar er zit een mooi, tragisch verhaal achter deze boerderij. Een krantenbericht uit de jaren ‘20 dat door schrijver en dichter García Lorca werd opgepikt. Hij maakte er een toneelstuk van, Bodas de sangre. Bloedbruiloft. Vorig jaar schreef ik er een (lang) verhaal over voor Koud Bloed, een magazine-boek met de zo populaire true crime-verhalen. Hieronder het volledige verhaal, voor wie er tijd voor heeft.
Bloedbruiloft op de boerderij
Edwin Winkels
Even voorbij de laatste huizen van Los Albaricoques begint het stoffige en hobbelige pad naar het oneindige. Het is de laatste weg in een onherbergzaam landschap waar ooit, met de zegen van God, 30.000 wijnranken moeten hebben gestaan en nu slechts de agave’s en andere cactussen overleven. Links staat een huis en liggen, opgebaard aan een zomer die nooit afloopt, de gortdroge landerijen van Doña Francisca. Kort erna, aan de rechterkant, blokkeren houten kruizen de afdaling naar de verlaten goudmijnen van Doña Josefa. Iets hoger in de lucht, nauwelijks te zien tegen het zonlicht in dat hier 350 dagen per jaar onverdraaglijk hard schijnt, rijst de Cerro de la Cruz op, een kale bult van 320 meter hoog die ook al geen verkoeling biedt. Het leven is hier altijd eenzaam en loodzwaar geweest. Bijna niemand woont er nog.
(Meer…)
Categorieën: zon, zee en andere zaken

De vakantie komt eraan, ruim drie weken in september, al zal er waarschijnlijk geen reis in zitten. Toch, september betekent altijd het verlangen naar mijn mooiste plekje in Spanje, ontdekt in 1989, toen we van ons verder onbekende Nederlanders (advertentie in de krant; toen was er nog geen internet) een huisje huurden in Los Molinos del Rio Aguas, zo exotisch als de naam ook klinkt. Het bleek een verlaten dorpje te zijn in de provincie Almería, aan de rand van het beschermde maar tegelijk ook bewoonde natuurpark van Cabo de Gata, voor mij het paradijs in Spanje. Een groep Engelsen had het dorp weer bewoonbaar gemaakt, voor een project waarin zij bestuderen hoe je land- en tuinbouw in Afrikaanse woestijnen zou kunnen toepassen. Want dat is Cabo de Gata voor een groot deel, een woestijn.
Toen kwam er bijna niemand, was San José nog een idyllisch plaatsje aan de kust. Ook nu is Cabo de Gata nog redelijk onherbergzaam en maagdelijk, zonder al te veel voorzieningen, maar in augustus is het er te druk, zoals overal. Het voorjaar of september is ideaal om de droogste streek van Spanje te bezoeken, met zijn ongelooflijke strandjes (Playa de los Muertos, Mónsul, Genoveses), met de restaurantjes in Aguamarga op het strand, met deze (op de foto) verlaten goudmijnen in Rodalquilar, waar een mooi ‘natuurhotel’ staat, met de heuse woestijn van Tabernas waar vroeger spaghettiwesterns werden opgenomen maar ook enkele scènes van Indiana Jones.
Ik ben er sinds ‘89 om de zoveel jaar teruggekomen, en niet alleen omdat dat eerste jaar in een apotheek van Cabo de Gata onze dochter Sara voor het eerst op het watje van een zwangerschapstest verscheen. Het is goed te bereiken uit Barcelona en heeft geen groot vliegveld in de buurt (dat van Almería, maar daar landen weinig toestellen), wat ideaal is om het (internationale) massatoerisme te voorkomen. Voor altijd, hoop ik.

Categorieën: intussen, in Spanje · reizen
getagged: almeria, cabo de gata

Weet niet waarom, maar lange tijd was dit op de markt in Sitges niet meer te krijgen: een lubina (zeebaars, die van de foto) of dorada van behoorlijke afmetingen, eentje die genoeg is voor drie personen. Op de foto is het niet goed te zien, maar vergelijk hem maar met de tomaten, citroenen en aardappelen: dit is een zeebaars van ruim anderhalve kilo. Alleen al door die afmetingen weet je dat het geen vis uit de viskwekerij is. Dit is de wilde, gevangen voor de kust van Vilanova i la Geltrù, waar ze een redelijke vissershaven hebben.
Je wordt er heel wat vrolijker van dan bij het zien van de baarsen uit de viskwekerijen: die zijn allemaal net groot genoeg voor één persoon. Op zich zijn de kwekerijen – die grote ronde netten die je op verschillende plaatsen dichtbij de kust kunt zien liggen – niet slecht. Ze helpen de overbevissing van bepaalde vissoorten in het wild te bestrijden.
Maar toch, als je een keer het verschil hebt geroefd tussen een wilde lubina en eentje uit een kwekerij, dan is het moeilijk weer naar die wat kleinere gekweekte vissen terug te keren. Het is als met de kip, met de eieren, met het varken en met de koe: hoe vrijer ze zich kunnen bewegen, hoe lekkerder is het product dat we eten. Er hangt, vanzelfsprekend, wel een prijskaartje aan. De dorade uit de kwekerij kostte zaterdag 9,50 euro per kilo, haar prachtig grote zus van zo’n twee kilo uit het wild ging voor 20,50 over de toonbank.

Categorieën: eten en drinken
getagged: vis, eten, zeebaars, dorade

Hij zal wel Mohammed hebben geheten (op dit moment de meest gegeven naam aan baby’s in de vier grote steden van Nederland), maar precies kan ik het me niet meer herinneren. Hij was chef-bordenwasser in het verdwenen Rick-wegrestaurant aan de A-2 bij (toen) Jutphaas (nu Nieuwegein). Nou ja, chef. Ze waren met z’n tweeën, beide Marokkanen van de eerste generatie gastarbeiders uit dat land; het was eind jaren zeventig en zij waren, denk ik, net rond de dertig jaar. De maand van de ramadan was niet eenvoudig voor ze: ze zagen een hele dag alleen maar eten en etensresten voorbij komen, het gegrilde vlees (weinig halal toen, trouwens) uit de keuken kon je overal ruiken en de verleiding om het deksel van één van de drie soeppannen (tomaten-, champignoncrème- en uiensoep) op te tillen leek mij heel groot. Zij weerstonden die, maar in dat restaurant was er ’s avonds in ieder geval meer dan genoeg eten voor hen als het vasten met de zon achter de horizon was verdwenen.
Moest aan Mohammed denken nu gisteren weer de maand van de ramadan is begonnen. Een extra zware maand. De ramadan loopt niet gelijk met onze jaarkalender en elk jaar schuift de vastenmaand zo’n vier weken naar voren. Dat maakt deze ramadan extra moeilijk voor de moslims (en die van volgend jaar nog veel zwaarder): de zon is vroeg op en weer laat onder. Op de klok in een slagerij in de Raval (dé moslimwijk) in Barcelona (hierboven) staat bij Faj (al-Fajr, de dageraad) hoe laat het vasten begint en bij Mag (al-Maghreb, de zonsondergang) wanneer er weer gegeten mag worden. Zestieneeneenhalf uur zonder eten en drinken, en dat bij een temperatuur van nog steeds boven de 30 graden en veel Marokkanen en Pakistaniërs die hier in de bouw werken…
Categorieën: zon, zee en andere zaken
getagged: ramadan

Zo, dat hakt erin. Het Spaanse ministerie van Toerisme maakte vandaag de (maandelijkse) cijfers bekend van de buitenlandse toeristen die tot en met juli naar Spanje zijn gekomen. De verwachte teruggang zet door, al trok het in juli iets aan: de 6,6 miljoen toeristen die hier in één maand kwamen (ter vergelijking: in Nederland komen er 11 miljoen in een heel jaar) waren 6,1% minder dan in dezelfde maand vorig jaar. Over de hele periode januari-juli is de terugloop groter: 10,3%.
Maar wat het meest opvalt van de maand juli is de herkomst van die toeristen. OK, minder Britten (-16,1%), zoals verwacht, door o.a. de dure euro. Minder Duitsers ook, maar die -5,4% valt mee. Méér Fransen (+8,1%), die misschien hun eigen land ontvluchten omdat er in de zomer zoveel Nederlanders rondlopen. Minder Belgen, maar ook die 5,6% is te overzien.
Maar dan de Nederlanders: in juli kwamen er 317.817 naar Spanje (geen idee hoe ze dat zo exact berekenen, maar het zal wel bij benadering zijn), en dat waren er 22,5% minder dan in juli vorig jaar. Bijna een kwart minder! Gaan we ineens zó weinig op vakantie? Of zijn we Spanje zat?
Ik heb er een mogelijke uitleg voor: toen ik laatst op reportage was in Salou, vertelden de Nederlandse bareigenaren me dat ze vooral in afwachting waren van de toeristen uit Zuid-Nederland. Daar begon de vakantie pas heel laat dit jaar (eind juli), en de zachte g gaat massaler op vakantie dan de mensen uit het noorden en midden. Ze zorgt ook voor meer omzet, omdat ze sinds carnaval droog heeft gestaan. Dus misschien trekken die cijfers in augustus wat aan. Aan de andere kant: het redelijk mooie weer in Noordwest-Europa drijft ook minder mensen last minute naar het zuiden.
De Hollanders laten het ook afweten op de camping, vertelde de eigenaar van het mooie Vilanova Park me gisteren. Alsof ze allemaal op campings in eigen land zijn gebleven of onderweg in Frankrijk zijn blijven hangen, of naar Duitsland zijn uitgeweken, waar de campings deze zomer, net als in Groot-Brittannië trouwens, overvol zitten.

Categorieën: reizen

Op pad voor de krant. Een Europese studie van parkeerplaatsen langs snelwegen wees uit dat die van Spanje, en vooral die van hier, langs de populaire en toeristische AP-7 van de Franse grens tot de Costa Dorada, tot de slechtsten van allemaal behoren. Waarom? Er is helemaal niks. Een paar stenen banken en prullebakken. Meer niet. En wat het onderzoek nog niets eens zegt is dat er ook regelmatig boeven vertoeven, mannen die in BMW’s vooral oudere toeristen wijsmaken dat ze een lekke band hebben en intussen alle koffers en tassen jatten.
Was vandaag op twee van die parkeerplaatsen. Word je niet vrolijk van, ook al omdat het weer eens boven de 35 graden was. En op één van de twee was geen enkele schaduw. De Pont del Diable heet die, de Duivelsbrug, een Romeins aquaduct in de buurt van Tarragona. Inderdaad, een hel, die parkeerplaats. Niemand stopte er. Van de auto’s die er kwamen, dachten de bestuurders dat het de afrit naar Tarragona was; ze reden na het ontdekken van hun vergissing direct door, zagen het historische aquaduct niet eens.
Een hel, omdat alle bevindingen uit het Europese rapport kloppen. Er is geen verlichting, het stinkt er naar pis, er is geen enkele voorziening, zelfs geen tafeltje om het meegenomen broodje of de thermoskan met koffie (mijn vader had ‘m altijd bij zich, op de lange tocht naar de zon) neer te zetten. Hoe anders dan, bijvoorbeeld, in Oostenrijk, waar de beste parkeerplaats van allemaal ligt. Je kunt er tenminste plassen op een plee, en dat is al heel wat.
Let op, het gaat niet om die grote aires (in Frankrijk) of áreas (in Spanje) waar benzinestations en restaurants liggen, maar om de eenvoudige parkeerplaatsen om even tot rust te komen. Zo weinig automobilisten komen daar nog, in heel Europa, dat het rapport aangeeft dat er veel (vooral in Nederland) een gebied voor cruising zijn geworden, heimelijke ontmoetingsplaatsen voor vluchtige homoseks. Nou zijn er bij de Pont del Diable behalve een enkele magere conifeer ook geen boompjes om je achter te verstoppen, dus zelfs homo’s worden niet vrolijk van die hel aan de snelweg.
Deze meneer hieronder wel, trouwens, op een parkeerplaats iets noordelijker. Hij onderbrak de 100 km van Tarragona naar Barcelona met een dutje. Groot gelijk. Onderweg zag ik twee ongelukken; waarschijnlijk in slaap gevallen op de saaie snwelweg.

Categorieën: zon, zee en andere zaken
getagged: parkeerplaats, snelweg