De camera trilt nogal, met elastiekjes vastgebonden op het stuur, bij zo’n 50 kilometer per uur. Het zijn maar een paar van de, ongeveer, 105 bochten van de Costas del Garraf, op mijn bijna dagelijkse tocht (nou ja, twee, drie keer per week) van huis naar het werk. Afdalingen zijn momenten van een beetje bijkomen van het klimmetje ervoor, maar ook van opperste concentratie op een weg die, dat wel, een stuk veiliger is geworden. Vangrails over de volle 15 kilometer (meestal van beton, in plaats van wat houten hekjes vroeger) en één lange doortrokken streep; inhalen is, in tegenstelling tot vroeger, de hele route lang verboden, ook op de korte rechte stukjes waar je vroeger een soort Russische roulette met de mogelijke plots opdoemende tegenliggers speelde. Trouwens, vanaf de fiets zie je pas goed hoe diep het aan de andere kant van de vangrail is…
De andere grote plaag is gebleven, de steengroeve’s die niet alleen een diep litteken in het landschap achterlaten, maar ook deze smalle weg laten vollopen met vrachtwagens vol stenen, cementmolens en vooral veel ongeduld. Voordeel is wel dat je op de fiets in de afdalingen iets sneller dan die mastodonten gaat, maar de grote dieselmotoren in je nek horen hijgen blijft een onplezierige ervaring.
De discussie is zo oud als de ontdekking van Amerika. daarom ook de titel van het boek dat in Barcelona is gepresenteerd, en waar de Catalanen natuurlijk héél erg blij mee zijn. Columbus, 500 jaar bedrog. Waarom wordt de Catalaanse afkomst van de ontdekker van Amerika verzwegen? De oorspronkelijke, Engelse titel van het boek van de Amerikaanse wetenschapper Charles J. Merrill is wat minder nationalistisch: Colom of Catalonia: Origins of Christopher Columbus. Hij heeft trouwens 18 jaar over het boek gedaan.
Merrill komt met talloze aanwijzingen die volgens hem en vele anderen voldoende zouden moeten zijn om de eerste zin over Columbus in de school- en geschiedenisboeken voorgoed te wijzigen: geboren in 1451 in Genua, Italië. Als Italiaan in Spaanse dienst zou hij in 1492 Amerika hebben ontdekt.
Nee dus. De naam is volgens Merrill al één van de belangrijkste aanwijzingen. In oude documenten verschijnt de ontdekker en zeevaarder altijd als Colomo of Colón, de verspaansing van de Catalaanse achternaam Colom. In ieder geval is hij nergens Colombo, de Italiaanse variant.
Columbus had het bovendien over de Reyes Católicos, die hem op pad stuurden, als ‘mijn natuurlijke heren’; die koningen heersten vanuit Aragón ook over Catalonië. Niettemin leefden Columbus en dat koningspaar in onmin, omdat de ontdekker eens met een opposant tegen hen had gestreden; toen hij met zijn drie schepen op pad ging en een dergelijke belangrijke ontdekking deed, wilden de Reyes Católicos de eer niet aan zo’n opstandige Catalaan geven en verzonnen zij dat hij uit Genua kwam, aldus Merrill.
Een derde indicatie van zijn liefde voor Catalonië, waar hij verder nooit woonde trouwens, is dat hij sommigen eilanden die hij ontdekte een Catalaanse naam meegaf, zoals het caribische Montserrat. Zelf heeft Columbus/Colom/Colón/Colombo trouwens nooit gezegd waar hij nou vandaan kwam…
Dat je vanuit Barcelona, vanaf het strand dus, binnen een uur in de eerste echte skigebieden (La Molina-Masella) kunt komen is te danken aan de Túnel de Cadí. Dit weekeinde wordt herdacht dat die tunnel, om middernacht tussen 30 en 31 oktober, precies 25 jaar geleden werd geopend. De bergen werden ontsloten, de streek Cerdanya een paradijs van tweede woningen voor vooral welgestelde Barcelonezen en de hoogste bergtoppen, die in Andorra, lagen ineens op minder dan twee uur met de auto, de afgrijselijke file’s in het al even deprimerende hoofdstadje Andorra la Vella even buiten beschouwing latend; of de in mooie winter- dus ski-weekeinden verstopte toevoerweg vanuit la Seu d’Urgell naar Andorra.
De vijf kilometer lange tunnel doorklieft het natuurpark Cadí-Moixeró, een lange tijd onneembare barrière waarover niet één fatsoenlijk weggetje loopt. Vroeger moesten de mensen daarom over heel andere (om)wegen richting de Pyreneeën. De meest gebruikelijke was de oostelijke route over Vic, Ripoll en Ribes de Freser, en daarna de prachtige, maar wel oneindig lange Collada de Toses, een voortdurend kronkelende bergweg. De andere, westelijk door het binnenland via Ponts en de Coll de Nargó, is nog altijd een weg die veel mensen nemen om naar Andorra te rijden en de tol van de Cadí te omzeilen; bovendien is het een veel minder drukke weg. Tussen de ene en de andere route ligt hemelsbreed meer dan 70 kilometer en daar was tot 1984 dus helemaal niets.
Maar vooral de Collada de Toses is aan te raden voor reizigers die geen haast hebben. Ik blijf het een prachtige weg vinden, precies langs de Pyreneeën. Was er jaren geleden eens voor een verhaal over de hoogste, nog bewoonde dorpjes in Catalonië. Dorria, precies halverwege de Collada, op het hoogste punt ook, was er één van. Op 1.560 meter woonde nog één echtpaar, met wat honden en schapen. Conchita wilde niet met haar door wind, sneeuw en kou getekende gezicht op de foto. Vroeger zei ze, gingen hun kinderen er lopend naar school, naar een dorp in het dal. Anderhalf uur duurde de weg terug, bergop. Maar hun kinderen zijn naar de stad verhuisd, naar Barcelona. Een leegloop die zoveel van dit soort dorpjes heeft getroffen.
P.S. Ski-liefhebbers moeten nog even wachten. Het is nu 27 graden in de Pyreneeën, met bovendien het fenomeen van de ‘thermische inversie’: in de dalen, vaak bedekt door mist, is het kouder dan op de bergtoppen.
La unión del rebaño consigue que el lobo se acueste con hambre. (Alcorcón, Estadio Santo Domingo)
Real Madrid is aan populariteit aan het verliezen, óók in Nederland, waar we zó chauvinistisch zijn dat we ineens FC Barcelona voor Real Madrid inruilen omdat daar nu de meeste landgenoten voetballen. Maar er blijkt een grens te zijn. Eerst omdat sommige van ‘onze sterren’ zomaar aan de kant worden geschoven. Schandalig! roepen we. En daarna omdat voorzitter Florentino met geld gaat smijten. Opnieuw, schandalig! Vrije markt, oké, je mag kopen wat je wilt, maar des te leuker is wanneer wat semiprofs uit een stadje dat Alcorcón heet het voetbal tot zijn oorsprong terugbrengen: geen geld, maar inzet. Dat leed tot een 4-0 nederlaag van de Koninklijke. Toen mijn zoon gisteravond laat zei dat het 4-0 stond dacht ik dat hij me in de maling wilde nemen. Leo Messi overkwam hetzelfde.
Bij deze een deel van mijn verhaal in het AD morgen. Plus wat beelden. En kijk eens naar de enorme ‘run’ van Drenthe bij de 3-0 om zijn positie te heroveren en de aanvaller af te stoppen. Dát is pas inzet…
Een prachtige, van origine Afrikaanse spreuk hing er in de kleedkamer van het piepkleine stadionnetje in Alcorcón, waar net 4.000 mensen op de tribunes met maar vijf rijen stoelen pasten, maar de spelers van Real Madrid hadden het bordje waarschijnlijk niet zien hangen. ‘Dankzij de eenheid van de kudde gaat de wolf met honger naar bed.’
Honger? Er was veel meer aan de hand bij Real, in de uren na de beschamende 4-0 bekernederlaag bij die ‘kudde’, een sympathieke tegenstander uit de derde Spaanse divisie. De koninklijke wolf voelde schaamte, vernedering, onmacht. Er was ruzie in de kleedkamer, de gewisselde Guti zei trainer Pellegrini in de rust dat hij maar beter iemand van achteren kon nemen, en gisterochtend op de training heerste er een diepere stilte dan op een begraafplaats. ‘Pellegrini, wegwezen’, kopte sportkrant Marca heel groot.
Een kansloze 4-0 bij de club uit voorstad Alcorcón. De voorzitter wreef het er nog even in: ,,Onze hele selectie is 1,3 miljoen euro waard. De spelers verdienen tussen de 6.000 en 50.000 euro.” Zijn collega Florentino Pérez kocht dit jaar alleen al voor meer dan 250 miljoen in.
Rafael van der Vaart en Royston Drenthe hadden, samen met mannen als Raúl, Benzema, Diarra en Guti, de twijfelachtige eer het ‘lachtertje van de eeuw’ in de basiself mee te maken. “We hebben een les in nederigheid gekregen,” zei aanvoerder Raúl. Doelman Dudek was nog de beste geweest; het had ook 7-0 kunnen worden. Voor Drenthe, die als linksachter speelde, was de avond in Alcorcón een nachtmerrie. Alle vlijmscherpe aanvallen van de thuisclub kwamen over zijn vleugel, drie van de vier treffers werden er geboren. Drenthe, die ook door eigen ploeggenoten in de steek werd gelaten, werd door fanatieke amateurs overlopen.
Real heeft een brede selectie vol sterren, maar de Chileen Pellegrini heeft de machine nog niet aan het draaien kunnen krijgen. En als het niet loopt, zoals dinsdag, dan verschuilt de coach zich in de dugout. Instructies tijdens een wedstrijd geeft hij nauwelijks. Dát is één van de vele teleurstellingen bij Real. Over twee weken is de return, in het grote Bernabéu. Maar daar gaat het niet om. Drie nederlagen in de laatste vier wedstrijden hebben de trots gekrenkt, de vorig jaar opgelopen wonden weer opengereten, de twijfels weer doen toeslaan.
En Alcorcón? Dat kon het gisteren nog niet geloven. “In het Bernabéu kunnen we er natuurlijk vreselijk van langskrijgen,” zei de trainer, “maar dit neemt niemand ons ooit meer af.”
De inspiratie vandaag komt uit de boxen. Een oud CD’tje staat op, uitgegeven in 1981 door Phonogram uit Baarn… Een concert ver weg, Friday Night in San Francisco. Drie gitaarvirtuozen samen, John McLaughlin, Al di Meola en Paco de Lucía. De laatste twee verzorgen het duet van het openingsnummer, het historische Mediterranean Sundance, in 1977 geschreven door Di Meola, maar niet uit te voeren zonder Paco erbij. Zelden zo’n duel (geen tikfout, het is niet alleen een duet) op gitaar gezien, twee verschillende stijlen, solo’s die op onbeschrijflijke wijze in elkaar overlopen, vingers die zelfs door de cameramensen nauwelijks te volgen zijn.
Hierbij wat video’s, door de jaren heen, van de heren… Artritis in de vingers hebben ze nooit gekregen, geloof ik. Voor goed geluid moet je trouwens niet bij dit soort video’s zijn; de magische zes minuten moet je natuurlijk vanaf CD of via iTunes luisteren.
Ben regelmatig naar concerten van Paco de Lucía geweest. Aanvankelijk verguisd in de traditionele flamenco-wereld omdat hij de muziek populariseerde, zoals hier in een TV-programma met de ongebruikelijke percussie, zijn beroemde Entre dos aguas uit 1976, alsof hij met die titel wilde zeggen dat hij niet slechts uit één bron wilde drinken:
Maar nu is hij al decennia lang geaccepteerd als de grootste maestro van allen, de meest onnavolgbare op de klassieke Spaanse gitaar. Helaas speelde hij bij zijn concerten in Barcelona nooit de Mediterranean Sundance; maatje Al di Meola was er niet bij. Maar het was er nooit minder om. En puur flamenco is hij ook wel:
Bloggen is geen wedstrijd, maar een bescheiden poging wat interessante dingen op te schrijven. Je begint met misschien 24 toevallig passerende lezers in de eerste maand. Je mailt vrienden en kennissen. Je zet het weblogadres onderaan je mails. Anderen linken je. En dan gaat het groeien, als een teder plantje dat elke dag water, liefde en zon nodig heeft. Maar dan nog: de blogwereld staat bomvol van deze plantjes, iets wat P. F. Thomese een beetje boos maakt, en wat het nóg moeilijker maakte door bomen het bos te vinden.
Vandaag heeft Het Barcelona-gevoel de grens van 100.000 bezoekers doorbroken (niet per dag, hè, maar in totaal…). Daar moet ik dus vooral jullie, de lezers, blijvers en passanten, commentaristen en anonieme geïnteresseerden, voor bedanken. Moet ik wel eerlijk bekennen dat de cijfers niet geheel reëel zijn. Begin september had ik een post over de hoertjes die toeristen afwerken in de Boquería. En omdat gore foto’s het altijd goed doen, kwam er een bescheiden link op GeenStijl terecht; in een halve dag knalde de meter naar 40.000 extra bezoekers… Je moet erkennen dat dat blog een fenomeen is, al zijn er niet veel van die incidentele bezoekers van die ene dag bij Het Barcelona-gevoel blijven hangen. Niettemin: die 100.000 staan er, eind oktober.
Zo’n wordpress-blog geeft ook aan met wat voor een zoekopdrachten de mensen op je blog terecht komen. De populairste? Picasso en Guernica, waarschijnlijk van scholieren die met een werkstuk bezig zijn, of zo. Plus fotograaf Robert Capa. En schrijf je over het huis van Dirk Scheringa, dan blijkt dat ook een aardig lokkertje.
Dank. Nogmaals. Geeft moed om nog even door te gaan.
Dienstmededeling, de laatste over dit onderwerp: sinds gisteren, 25 oktober, is ook de KLM verhuisd naar de nieuwe terminal T1 van El Prat, samen met zijn partners van SkyTeam: Air France, Alitalia, Air Europa en nog wat andere maatschappijen. Daar, in die T1, begin het nu gezellig druk te worden. Je zou iedereen nu bijna aanraden vooral met Transavia tussen Nederland en Barcelona te vliegen, ofwel AMS-BCN, want die maatschappij blijft als één van de weinigen, samen met EasyJet een hele serie vrijwel onbekende prijsvechters, vanaf de oude T2 vliegen. Als je de grote leegte, op de foto boven in de aankomsthal, en de vele gesloten winkels en barretjes voor lief neemt, is het prima vliegen. (TV-tip: ik zou hier géén Hello! Goodbye! opnemen…)
De rijen, waar dan ook, zijn voorgoed verleden tijd. Het enige wachten is misschien bij de incheckbalie, als je dat al niet via internet hebt gedaan. Verder: geen rij bij de veiligheidscontrole, geen rij bij de kassa voor een koffie of een krantje, geen rij bij de WC (voor de vrouwen) en altijd meer dan genoeg plaats om te zitten (niet op die WC, maar bij de gates). Bovendien kun je nu de auto bijna voor de deur kwijt. Het enige risico is dat de veiligheidsbeambten zich zo stierlijk vervelen, dat ze iedereen extra gaan fouilleren. In 2010 gaan ze de T2 een beetje verbouwen. Voorlopig ontvangt die oude terminal vanaf nu jaarlijks iets meer dan 4 miljoen passagiers, terwijl de capaciteit 25 miljoen is…
UPDATE: Op verzoek van lezer Maurice bijgaand filmpje van La Vanguardia (aan de rechterkant van het scherm): vrouwen met een rok aan zouden zich in de nieuwe T1 onbehaaglijk voelen vanwege de bijna perfect spiegelende vloer van de terminal.
Vaak kennen de toeristen de stad beter dan de inwoners zelf. Althans, ze komen, geleid door hun (reis)gidsen op plaatsen waar de locals nooit of slechts bij toeval eens komen. Zoals de Jardins de Laribal op de Montjuïc, een prachtig groene oase die de snelste verbinding ter voet is tussen de stad en de Fundació Miró, een museum waar op een zondag een lange rij toeristen staat en Catalaanse ouders hun heel jonge kinderen meenemen naar toneelvoorstellingen bedoeld voor heel jonge kinderen.
Vroeger kwamen wel meer Barcelonezen in deze wonderschone tuinen, omdat er een zaal was waar huwelijken werden gevierd en de pergola’s, fonteintjes en trappen een ideale plaats waren om de fotoreportage van het bruidspaar te maken. Die zaal bestaat niet meer, maar wel het restaurant Font del Gat, een terrasje naast een historisch gebouw van modernist en Gaudí-tijdgenoot Puig i Cadafalch waar de drukke stad, op de achtergrond, veel verder lijkt dan hij eigenlijk is.
Ernaast ligt één van de beroemdste waterbronnen van Barcelona, de Font del Gat compleet met klein watervalletje. De Bron van de Kat werd in heel Catalonië beroemd door een populair liedje dat opa’s en oma’s aan hun kleinkinderen zongen en nog steeds zingen:
Baixant de la font del gat,
una noia, una noia,
baixant de la font del gat,
una noia i un soldat.
Pregunteu-li com es diu:
Marieta, Marieta,
pregunteu-li com es diu:
Marieta de l’ull viu.
Johan Kramer, hier leunend op een oude deux chevaux in de calle Sevilla van de Barceloneta, op de hoek met Almirall Cervera, kende ik vaag van een diner in Gorria, van een Bask wiens broer in Nederland woont en die mij ooit het verschil uitlegde tussen rundvlees uit Nederland en dat uit de Baskische Pyreneeën: de koeien in Nederland hebben altijd gras in de vlakke weilanden, hoeven maar een meter te lopen om te eten en kunnen weer gaan liggen herkauwen. Die in de bergen lopen veel meer, zoeken de beste stukjes gras op, en oefening baart in dit geval veel malser vlees. Maar dit terzijde.
Het enige wat ik me van dat etentje kan herinneren, behalve dat we zeebaars aten, is het spelletje dat zich rond tafel afspeelde. Johan was er met Erik Kessels, zijn compaan bij het reclamebureau KesselsKramer. Uitgenodigd door één van hun opdrachtgevers, Het Parool, met hoofdredacteur Matthijs van Nieuwkerk en adjunct Erik van Gruijthuijsen (de enige PSV-supporter tussen Ajacieden en ik, een Utrechter) plus directeur Frits Campagne. De laatste en ik keken, naarmate de avond vorderde, in steeds grotere verbazing toe hoe vier dertigers elkaar probeerden af te troeven op de kennis van zinloze zaken uit het voetbal. Ze wisten, en weten waarschijnlijk, álles. Echt, álles. Uit hun hoofd. Volledige opstelling van Argentinië in de finale ‘78, linksback van Feyenoord op de historische reis naar Lissabon ‘70, uitslag en doelpuntenmakers Ajax-DWS in 1968… Ze stelden elkaar steeds moeilijker vragen. Ik ben jarenlang sportverslaggever geweest, maar niet zo goed in het onthouden van namen, cijfers, momenten.
Afijn, zo’n ongekende voetbalgek moet je zijn om aan het project te beginnen dat Johan Kramer in 2002 afrondde met The other final, een prachtige docu over de wedstrijd die de twee laagst geklasseerde landen van de FIFA-ranglijst, Bhutan en Montserrat, speelden op dezelfde dag dat Brazilië en Duitsland in Tokio de WK-finale speelden. Daarna maakte Kramer trouwens iets heel anders, in zijn na Amsterdam tweede geliefde stad Barcelona gedraaid, de idealistische speelfilm Sing for Darfur, die hij bij sommige presentaties lardeerde met zijn korte film 8 moments in Barcelona, waarvan Magazine met meneer en mevrouw Rubio heel teder is.
Lange intro om te komen waar ik wilde: Johan Kramer is teruggekeerd naar het voetbal en heeft 17 dagen staan draaien in de Barceloneta. De film heet Johan1. Een populaire Nederlander die bij Barça speelde. Johan Neeskens. Kramer was er idolaat van, heet eigenlijk Jan, maar veranderde ooit zijn naam op school in Johan. Voor hem is Neeskens de eerste Johan, en niet Cruijff; vandaar de titel. (In Barcelona was Neeskens vroeger Johan II, namelijk.)
Kramer is net als de hoofdpersoon in zijn film, een dikke schele Catalaanse krullebol die Joan heette en nu Johan is en elke dag in zijn 2CV 50 rondjes rond het Camp Nou rijdt om de club geluk te brengen. (Voor de mooiere beelden zal in deze speelfilm het Camp Nou trouwens in de Barceloneta liggen; leukere straatjes dan in Les Corts.)
Hij moet ergens in het voorjaar in première gaan en ik denk al wat één van de mooiste beelden van de film is: het interieur van de blauwpaars geverfde Lelijke Eend, een monument aan Neeskens, aan Barça, Ladislao Kubala, aan volledige voetbalgekken als Johan Kramer.
Met het risico vervelend te worden: een mooi voorbeeld wát het woord corruptie in de praktijk nou precies inhoudt. En hoe brutaal de plegers ervan zijn, want zowel de ene als de andere partij verbergt absoluut niet dat het goed mis zit, zo blijkt vandaag uit een artikel in El País.
Het gaat over El Ejido, waar deze week de burgemeester en 19 anderen werden opgepakt, onder wie de directeur van het bedrijf dat het volgende deed: er was een tegel stuk op het Plaza Mayor van het stadje, op de foto boven. Een redelijk gewone steen, wit marmer, één vierkante meter. De rekening, door een even corrupte gemeente-ambtenaar met genoegen betaald, laat zien wie en wat er nodig was voor de reparatie van die ene tegel: twee ‘gewone’ arbeiders, één ’speciale’ arbeider, twee ‘eerste opzichters’ en twee ‘tweede opzichters’. Samen waren ze 27 uur aan het werk, gebruikten ze twee van die kleine modellen bulldozers (of hoe ze ook mogen heten), een kiepwagen, 35 kilo beton en 250 meter lint om de zone af te zetten. Totaal, inclusief 16% BTW, 2.134,66 euro, wat nog meevalt voor zoveel gedoe…
Dat soort opgeblazen rekeningen leverde het bedrijf per jaar zo’n 33 miljoen euro aan gemeentegeld op, terwijl het werkelijke werk zo’n 13 miljoen moet hebben gekost. Vanzelfsprekend zal dat rijkelijk met steekpenningen aan ambtenaren beloond zijn geweest.
Nog eentje dan, omdat het behalve triest ook zo leuk is. Tijdens een concert van een zanger in het stadion deed een gloeilamp bij de loketten het niet. Twee man kwamen een nieuwe lamp erin draaien. Ze waren 10 uur bezig, volgens de factuur. Totaal, 572,43 euro.