Maandelijks archief: december 2010

Met dank voor de soms dagelijkse trouw in 2010…

Witte kerst…

We kunnen vanuit Barcelona natuurlijk altijd wel afgeven op Nederland, en lachen om de kou en de regen en de maandenlange laaghangende bewolking, maar op kerstdagen als deze is het goed toch eens de schoonheid van het koude land te ontdekken, ergens op de dijken langs de grote rivieren. Een beetje zon, beestjes en boompjes in de sneeuw en als je zelf niet de chaos op het spoor en de gladheid hoeft te ondervinden, dan kan het ook wel eens heel erg mooi zijn.

De moeder van Afellay

Vaak presenteren voetballers zich bij hun nieuwe club met hun spectaculaire vrouw, zeg maar de Van der Vaarts en Sneijders. Ibrahim Afellay deed het vanochtend in Barcelona heel anders. De verschijning van zijn moeder, mevrouw Mardore Habiba, was opmerkelijk. Nooit eerder hebben we op het gras van het Camp Nou een vrouw met een hoofddoek gezien. De fotografen vonden het prachtig. En in Nederland was Afellay altijd heel afhoudend geweest, wat zijn familie betreft. Ook broer Ali was erbij. Beide, moeder en broer, zullen voor hem de komende maanden in Barcelona een beetje gaan zorgen.

Moeder Habiba pinkte een traantje weg. Van Al Hoceima naar Overvecht in Utrecht en nu in Barcelona, waar haar man – inmiddels overleden – ooit als matroos en bokser een tijdje woonde. Zoonlief Afellay eert hem nu door te gaan spelen bij die droomclub. Hij is de zoveelste Nederlander bij Barça, maar vooral de eerste Marokkaan in de geschiedenis van de club. Het bestuur is er blij mee; Barcelona is al immens populair in de Maghreb, dat wordt nu alleen maar meer. Een grotere ‘afzetmarkt’ heet dat. Het shirt met nummer 20 zal er binnenkort een gewild item zijn. De eerste tekenen waren vandaag al te zien: nog nooit zoveel Spaans-Marokkaanse jeugd tegelijk bij het Camp Nou gezien. Zonder bontkraagjes trouwens, ook al omdat het weer een prachtige zonnige dag was.

Vanachter de bar verdeelde hij 180 miljoen…

Dit is José, Joselito voor zijn vrienden. 44 jaar. En vandaag verreweg de gelukkigste man van Spanje. De populairste kroegbaas van het land. Zoals elk jaar had José voor flink wat geld ritsen loten met hetzelfde nummer voor de Kerstloterij gekocht. Liefst voor 12.000 euro kocht hij in, 60 series van 10 loten van één nummer, 79.250, om (zonder winst of toeslag) aan zijn vaste klanten door te verkopen. Elk lot van 20 euro bracht de winnaar 300.000 euro op, dus verspreidde José vanachter de bar liefst 180 miljoen euro aan prijzengeld aan minimaal 600 vaste klanten… Het blijft het leukste van deze prijs, de Gordo, dat er niet een miljoenenbedrag naar één iemand gaat, maar drie ton naar belachelijk veel dolgelukkige mensen.

Ik dus, zoals bijna elk jaar, weer op weg naar het dorp van de winnaars, dit keer het voorstadje Pallejà, op zo’n 15 km van Barcelona, waar José al jaren zijn bar, Nuevo Maldonado, heeft. De oude Maldonado bestaat ook, en is van zijn oom. Maldonado is hun achternaam. Wij journalisten schrijven meestal over nieuws, en vaak is dat geen goed nieuws. En al is die Kerstloterij elk jaar weer hetzelfde, met dezelfde taferelen, dezelfde spuitende champagne en dezelfde uitspraken, je wordt er in ieder geval vrolijk van, temidden van nóg vrolijker mensen. Feel good news.

En die van vanochtend was denk ik de vrolijkste viering die ik ooit heb meegemaakt. Alsof alle winnaars waren komen opdagen; veel arbeiders die hun werk even in de steek hadden gelaten om te komen vieren. Veel werklozen ook. Het is geen rijk stadje, Pallejà, ingeklemd tussen snelwegen en treinsporen en industrieën. Iedereen kuste elkaar, omhelsde elkaar, schreeuwde naar elkaar. De champagne was snel op, de voorraad bier ging er anderhalf uur later helemaal doorheen. Mensen die geen WW-uitkering noch bijslag meer ontvangen, sommigen die op het punt stonden hun huis uit te worden gezet omdat ze de hypotheek niet meer konden betalen, jongelui die zojuist op de onmogelijke Spaanse arbeidsmarkt verdwaald waren geraakt… Drie ton doen heel goed.

Pallejà is vandaag in één klap 180 miljoen euro rijker. En José, zo vertelde hij, had nog nooit van zijn leven zo enorm moeten huilen.

Heuse hoedenwinkels

Bijna iedereen blijft er stilstaan, op dit magische voetgangerskruispuntje in de oude stad, waar de straten Boqueria, Banys Nous en Call (el Call is de oude Joodse wijk van Barcelona) elkaar treffen, dichtbij het Plaça de Sant Jaume. Op bijna-winteravonden als deze (hoewel, gisteren om 20 uur, het moment van de foto, was het nog 15 graden) geeft het kunstlicht van Sombrería Obach de hoek én de etalage een onweerstaanbaar panorama. Een heuse hoedenwinkel, deze weken stampvol omdat de kou een beetje gekomen is en omdat een hoed of pet een uitstekend kado-artikel blijkt te zijn. Én omdat, heb ik de indruk, er meer én jongere kale of volledig kaalgeschoren mannen dan vroeger zijn…

Obach zit er al sinds 1924 en was lange tijd één van de drie historische hoedenwinkels van de stad. Nu zijn er nog maar twee, want twee jaar terug sloot El Rey de la Gorra (de koning van de pet) dichtbij het Plaça Espanya. De andere klassieker, ook al vier generaties van dezelfde familie, is Sombrería Mil, sinds 1917 op Fontanella, tussen de pleinen van Catalunya en Urquinaona. Ook heel erg druk, deze dagen.

Lange tijd werden er in Barcelona nauwelijks hoeden gedragen. Volgens mij doe je het ook niet zo makkelijk, zo’n van buiten imponerende winkel binnenstappen, op zoek naar je eerste pet of hoed, waar in het Spaans talloze verschillende woorden voor bestaan: sombrero, gorra, gorro, bombín, boina, txapela… (de laatste woorden zijn Catalaans respectievelijk Baskisch). Maar de jeugd heeft de hoeden en petten ontdekt, en heeft ook winkeltjes zoals de populaire Hatquarters (op de foto, in winkelcentrum l’Illa) die wat toegankelijker zijn. Daar doen vooral de modieuze Goorin-petten het goed (zo’n model dat DJ Giel Beelen altijd op z’n kop had), maar een échte modestijl is er niet, zeiden ze me bij Mil. Soms doen films een mode opleven, zoals de laatste Sherlock Holmes en, een tijd terug, Gangs of New York.

De stad van de mooie gevels

“Ik wilde je toch nog even laten weten: Wat is Barcelona een prachtige stad! Niet alleen de publiekstrekkers, maar ook de gewone gevels van huizen, gebouwen. Wat is het er nog steeds een heerlijk weer! Uit met die Parijse winterjas! Wat eet en drink je er lekker! En voor de helft van de prijs die we hier betalen…”

Deze opmerkingen zijn niet van mij, maar van collega Frank Renout, die vanuit Parijs hetzelfde doet als ik, schrijven en bloggen. Hij was een weekeinde over met het gezin, vorige maand. Ik wil het vandaag even bij die eerste opmerking houden, over de gevels, waar ze in Parijs toch ook niet over te klagen hebben. Maar ik denk dat in Barcelona de verscheidenheid onnoemelijk veel groter is, wat gevels betreft. Stijlen bestrijden en overrompelen elkaar.

Die op de foto is één van de gebouwen die me altijd heeft bekoord, mijn aandacht heeft getrokken, me steeds weer heeft doen afvragen wát voor een gevel dit nou precies is, wie hem ooit heeft bedacht. Dus dan ga je eens op onderzoek uit. Eerste conclusie, niet iedereen vindt ‘m mooi, deze gevel op de hoek van de straten Consell de Cent en Muntaner in de Eixample. Sommigen vinden hem zelfs de lelijkste van de stad. Toch, die kleuren, dat geel en groen met wat roodkleurige streken er doorheen, die vallen in ieder geval op. Deze dagen zijn ze vooral in de late middagzon, tussen vier en vijf, heel mooi en in contrast met de blauwe lucht (nee, geen sneeuw in Barcelona):

Het gebouw heet het Casa China, het Chinese huis, en is gebouwd in 1929. Architect was Joan Guardiola uit Valencia, die in Barcelona architectuur was komen studeren, onder leiding van Antoni Gaudí, onder anderen. Eind jaren twintig was het modernisme in Barcelona al lang voorbij, en ook het noucentisme liep op zijn einde. Deze gevel wordt ondergebracht bij de Art Déco, waarvan in Barcelona nauwelijks iets bestaat. Architect Guardiola (twee broers van hem waren de bouwers) inspireerde zich in zijn talloze reizen over de wereld, dus zijn de zuilen op de begane grond Ionisch, zie je boven de bovenste ramen Arabische sporen en zijn de tekeningen van Oosterse aard. Een combinatie die voor de puriteinen totaal onmogelijk en dus heel lelijk is.

Op de begane grond zit trouwens één van de beroemdste en oudste lampenwinkels van Barcelona, Monsó i Benet, die ook op de Rambla de Catalunya zit. Hier opende Vicente Monsó in 1929 zijn eerste winkel, en daar trof ik deze week zijn dochter Montserrat aan. Ze is nu 84, maar staat nog elke dag achter de toonbank. “Wat moet ik thuis doen?” zei ze. En ze vertelde me vervolgens een groot deel van het verhaal van dit Casa China, waar ze zelf ook woont. Regelmatig laten de eigenaren-bewoners de gevel schilderen, soms met behulp van een uniek gemeentelijk project in Barcelona dat deze week zijn 25ste verjaardag vierde: Barcelona posa’t neta, ofwel Barcelona maak je mooi. Met subsidie en sponsoring – vaak hangen er grote reclamezeilen aan de steigers – worden de gevels schoongemaakt, worden o.a. de sporen van tientallen jaren autogassen gewist. Zo zijn in die 25 jaar als 27.000 gebouwen ‘behandeld’.

De Amerikaanse vloot in Barcelona

Sinds 1987 heeft er geen Amerikaans oorlogsschip meer aangelegd in de haven van Barcelona, maar in de 36 jaar daarvóór was de Zesde Vloot een vaste bezoeker van de stad. Het was de roerige, ruige en rijke tijd van de Raval, waar de hoertjes hun handen vol hadden aan de honderden, soms duizenden marinemannen die per keer de stad overspoelden. De eerste kroeg  die ze steevast tegenkwamen, in het eerste zijstraatje (Arc de Teatre) onderaan de Rambla, was een bar waar ze zich vanwege de naam direkt thuisvoelden: Kentucky. Een toevalstreffer van de eigenaar, trouwens. Kort voordat de eerste schepen op 9 januari 1951 aanlegden had hij de naam, La Flor, in dit stevig Amerikaans klinkende woord veranderd, zonder te weten dat die Amerikanen, na een akkoord met generaal Franco, de haven mochten gebruiken.

Bar Kentucky bestaat nog steeds. Het is een échte nachttent geworden, één die alleen op donder-, vrij- en zaterdag vanaf 10 uur ‘s avonds opengaat en pas sluit als de laatste gasten zijn verdwenen. Achterin staan twee stokoude jukeboxen, en achter de bar hangen tientallen foto’s die de Amerikaanse mariniers hebben achtergelaten, vooral van hun schepen. Foto’s die zwart zijn geworden door tientallen jaren zware rook. Prachtige relikwieën, net als de bandjes van de matrozenpetten waarop de namen van de verschillende fregatten en vliegdekschepen staan.

Toen dichter en antropoloog Xavier Theros die foto’s zag kwam hij op het idee een boek te maken over het beruchte verblijf van de Amerikaanse mariniers in Barcelona. Vandaag presenteerde hij het resultaat, La sisena flota a Barcelona,  met ook prachtige foto’s van toen maar vooral een overvloed aan anecdotes. Zoals deze: Barcelona was voor de Amerikanen niet alleen de goedkoopste stad, maar ook de haven waar zij het meest een geslachtsziekte opliepen. Zó goedkoop vonden zij de stad, dat ze de obers het geld uit hun pet lieten pakken dat zij dachten dat de consumpties hadden gekocht. Een ober van de Jamboree aan de Plaça Reial lukte het zo binnen twee jaar redelijk rijk met pensioen te gaan. Ook de Tequila ( die eveneens nog bestaat) aan de Carrer Escudellers was één van de favoriete kroegen van de Amerikanen. Daar waren de banken iets hoger dan gebruikelijk, omdat de stevige marinejongens groter waren dan de gemiddelde Spanjaard. En er stonden geen stoelen, opdat zij elkaar niet daarmee te lijf konden gaan.

Prachtige naam van een groep trouwens, in de jukebox: Earl & his Hoedowners. Jaren vijftig, uit Texas.

Ontdekkingen dankzij de tapa’s

Ja, en als er dan een soort tapa-wedstrijd is (zie vorige post), dan moet je ze ook maar eens gaan uitproberen, al is het voor de krant – vreselijk vak toch. Ben vandaag in drie van de 49 tentjes geweest die voor deze week een bijzondere tapa hebben bedacht en die je samen met een biertje in een leuk, speciaal glas (de échte caña-maat – een pilsje dus, en niet de halve liter die je voor 8 euro op de Rambla krijgt voorgezet, óók als je om een caña hebt gevraagd…) voor 2,40 euro tot je neemt. En ze stelden niet teleur, óók niet de twee die ik ver buiten het toeristische centrum opzocht, het redelijk gewone Tres Vilas in de carrer Berlin en het zeer bescheiden Cal Pinxo (niet te verwarren met de beroemde Cal Pinxo’s in de Barceloneta en Sitges) op de hoek van Mallorca met Dos de Maig, waar eigenaresse Laura de tapa live bereidde; kan ook niet anders, met een klein kalfshaasje met bacon en mosterdsaus.

Maar de ontdekking, want redelijk dicht in de buurt en in het centrum, was Bona Sort (Goed Geluk) in wat ik altijd één van de meest authentieke straten van Barcelona heb gevonden, de Carrer de Carders die de wijk La Ribera doorsnijdt. Een kwartelei op kleine frietjes met inktvisjes, groene asperges en paddestoelen… Mar i montanya heet dat hier, zee en bergen in één gerecht.

De Carders (op de foto het smalle deel, later wordt het straatje wat breder en lichter) móet je een keer doorheen zijn gelopen. Vroeger liep hier in de buurt ook het water van het Rec Comtal en in de omgeving daarvan vestigde zich vooral de textielindustrie. Veel straten in de Ribera zijn vernoemd naar de ambachten die er werden bedreven; carders waren zoiets als wevers. De Carrer dels Carders, die trouwens ongemerkt overgaat in die van de Corders (dat heeft iets met dradenmakers te maken, niet met het Spaanse corderos, lammetjes), is nu een afwisseling van Dominicaanse kappers, moderne barretjes, Pakistaanse supers en talloze curieuze winkeltjes.

Een tapa en een biertje voor €2,40

Ik ben ervan overtuigd dat de tapa met groot verschil het populairste exportprodukt van Spanje is. Een export, trouwens, waar het BNP van het nog altijd ploeterende land geen eurocent beter van wordt, want iedereen overal ter wereld denkt maar zomaar tapa’s te kunnen opdienen zonder copyright te betalen. Hoeft ook niet, natuurlijk, maar ze zouden wel eens aan minimum kwaliteitseisen mogen voldoen, al die tenten die je van Tokio tot San Francisco een ‘echte tapa’ serveren. Hoewel, ook in Spanje zelf houdt de kwaliteit natuurlijk niet altijd over.

En om dat te stimuleren houdt Barcelona voor de tweede keer in een jaar een soort tapa-wedstrijd. In bijna 50 barretjes en restaurants, door de hele stad verspreid, kun je vanaf morgen (en tot en met komende zondag) een biertje en een tapaatje bestellen voor 2,40 euro en mag je die hap ook nog beoordelen. (Onder de ‘recensenten worden gastronomische uitstapjes en notebooks verloot.) Uiteindelijk zal er één tapa als de beste worden gekozen; in mei was dat een tempura van garnaal met romescosaus die ze bij El Reloj hadden bedacht, een populaire tent aan de bovenkant van de Via Laietana, dichtbij het Palau de la Música.

Hier een foto van groot formaat (erop klikken voor de maximale versie), om te zien wie deze week wat precies hoe en waar serveert:

Het zo serveren, een vaste tapa bij een biertje, is trouwens de authentieke oorsprong van het nu wereldberoemde hapje. En op sommige plaatsen in Barcelona doen ze dat nog steeds (al is het meer een gewoonte in plaatsen als sevilla en Madrid); laatst, op 20 meter van de krant, een eenvoudig barretje dat wij ‘el gallego’ noemen, zette bij onze cañas van het lekkere bier Estrella Galicia een bordje vlees en één met vijf calamares-ringen neer. We moesten 4,30 betalen…

Schoenen halverwege de hemel

Sommigen zijn verdwenen, de laatste maanden, maar in bepaalde wijken van de vooral oude stad zijn ze weer in opkomst: de schoenen die overal in Barcelona -en ik weet niet hoeveel andere steden in de wereld – over telefoon-, electriciteits- en andere kabels ver boven de straat hangen, soms wel op zo’n tien meter hoogte. Gymschoenen vooral, met de veters aan elkaar vastgebonden, die er zo lang zullen bungelen als die veters niet slijten, of tot er een schoonmaakbrigade van de gemeente komt. Er doen nogal wat legende’s de rondte over dit fenomeen, dat al een heuse naam heeft, shoefiti, ofwel grafiti geschreven met shoes. En uit naam van deze zogenaamde kunstvorm proberen sommige artiesten een straat te decoreren. Het zal wel.

Het meest gehoorde en gevreesde verhaal in Barcelona is dat een paar hoog hangende schoenen een verkooppunt van drugs markeren, of het territorium van een dealer in die straat of buurt aanduiden. Bij de meeste van de bungelende schoenen zal dat verhaal echter niet meer opgaan, lijkt me, anders had de politie, die het verhaal toch ook wel gehoord zal hebben, veel van die dealers eenvoudig kunnen oppikken. Wel is hte bekend dat in de Verenigde Staten zulke schoenen in buitenwijken vaak ene verkooppunt van crack signaleerden.

De meest lugubere versie van de oorsprong van de schoenen komt óók uit de VS: wanneer er ergens een lid van een gang werd vermoord, hingen zijn vrienden zijn schoenen aan een draad in de wijk, schoenen halverwege de hemel die hij toch nooit meer zou kunnen aantrekken. Aan het andere uiterste van de hypotheses zegt de meest onschuldige versie van het fenomeen dat het gewoon een kwajongensstreek is, jochies die elkaar pesten door hun gympies af te pikken, aan elkaar te knopen en over een draad proberen te gooien.

In Spanje vierden vroeger de jonge soldaten het einde van hun (in 2001 afgeschafte) militaire dienst door hun boots aan een kabel bij de kazerne te hangen. Iets wat een beetje lijkt op onze Nederlandse uitdrukking, wanneer we iets, óók onze voetbalschoenen bijvoorbeeld, aan de wilgen hangen.

Eén van de meest plausibele verklaringen voor de opkomst van shoefiti in de laatste jaren komt denk ik uit de filmwereld. In het magistrale Big Fish liet regisseur Tim Burton in 2003 de mensen in een idyllisch dorpje wonen waar alle straten uit gras bestonden en de nieuwe inwoners, bij aankomst, hun schoenen over een lange kabel gooiden, want dat schoeisel hadden ze toch nooit meer nodig. Burton was trouwens niet de eerste regisseur die die vondst bedacht: zes jaar eerder liet Barry Levinson in Wag the Dog duizenden Amerikanen hun schoenen over draden gooien ter eerbetoon aan een soldaat die op de Balkan was gesneuveld en William Old Shoe Schumann heette…